Alle berichten

Mogelijke korting van pensioenen is gebaseerd op onjuiste en theoretische voorspellingen

Op dit moment staat het Nederlandse pensioenstelsel weer dagelijks in de belangstelling. Tien jaar na de kredietcrisis staan de pensioenfondsen er opnieuw slecht voor. Kortingen dreigen en worden zelfs aanbevolen door De Nederlandsche Bank. Dit terwijl de economie het op dit moment relatief goed doet.

De vraag is ‘waarom doen pensioenfondsen het dan zo slecht?. Als het economisch immers goed gaat, zou je verwachten dat dit ook geldt voor de beleggingen en dus ook voor de pensioenfondsen. Dit is echter één kant van de medaille. De andere kant en het antwoord op onze vraag zit ‘m in de wijze waarop de verplichtingen berekend worden. Het is dit element dat in dit artikel ter discussie gesteld wordt.

Pensioenfondsen moeten beleggen om te voldoen aan de contractuele verplichtingen. Deze worden berekend conform regels die uitgevonden zijn tijdens het begin van de 21e eeuw, met een economisch paradigma dat gebaseerd is op ideeën uit de 20e eeuw. Het probleem is daarom dat de regels niet passen in de huidige tijdgeest. De hypothese die hier gesteld wordt is:

De huidige regelgeving omtrent de dekkingsgraad van pensioenfondsen voldoet niet aan de economische realiteit en is gebaseerd op een theoretische aanname.

Om dit te onderbouwen zullen de volgende punten de revue passeren:

  • Hoe is het systeem opgezet?
  • Wat veroorzaakt het probleem?
  • Wat was het doel om het systeem te veranderen?
  • Welke gevolgen brengt het met zich mee?
  • De voordelen van een gemiddeld rendement

 

hand with pencil writing on paper with laptops in front

Hoe is het systeem opgezet?

De huidige regelgeving omtrent de berekening van de verplichtingen van pensioenfondsen, is vastgelegd in het Financieel Toetsingskader (FTK). Kijkend naar de verplichtingen van pensioenfondsen, kun je nog steeds stellen dat deze feitelijk bepaald worden door 3 hoofdcategorieën: levensverwachting, kosten en rendement. De problematiek rondom de levensverwachting (deelnemers worden steeds ouder) is inmiddels al geborgd door de pensioenleeftijd aan te passen aan de werkelijke levensverwachting. De kosten zijn redelijk goed voorspelbaar en zullen zelfs verder dalen door de verdergaande automatisering. De problematiek spitst zich dus toe op het rendement. De overheid heeft dit in 2015 vastgelegd in het vernieuwde Financieel Toetsingskader (FTK). Onderaan dit betoog staat een omschrijving van de manier waarop de berekening van de dekkingsgraad en de rekenrente wordt gemaakt*.

Wat veroorzaakt het probleem?

Het grote verschil met de vroegere periode is, dat nu de rekenrente wordt bepaald als een ‘groei-voorspeller’, dus een geschat percentage hoeveel het vermogen in de toekomst zal groeien. Om de verplichtingen naar de toekomst te berekenen, wordt gebruik gemaakt van een ‘rekenrente’ zijnde de nominale rentetermijnstructuur (zero-coupon), zoals maandelijks bekend gemaakt door DNB.

Voorheen werd de rekenrente bepaald op basis van de reeds gerealiseerde rente met als variant bijvoorbeeld het ‘voortschrijdende gemiddelde rendement van de afgelopen 5 jaar’. Er is dus duidelijk sprake van een trendbreuk met het verleden.

Wat is de reden voor de wijziging?

Het wijzigen van het systeem met de invoering van de pensioenwet had een duidelijk doel, namelijk het veiligstellen van de pensioengelden. Het faillissement van DAF en het verlies van de pensioenen gaven de politiek de stimulans om het pensioenstelsel drastisch te wijzigen.

Om te garanderen dat pensioenen beschermd werden, werden de volgende elementen geïntroduceerd:

  • Verplichte afdracht
  • Prudent beleggingsbeleid
  • Verplichtstelling pensioen (bij vermoeden)
  • Gebruik van de marktrente

 

Het gebruik van de marktrente was samen met het prudent beleggingsbeleid bedoeld om te garanderen dat pensioenfondsen voldoende vermogen aanhouden. Het prudent beleggingsbeleid vereist dat voldoende belegd wordt in veilige beleggingen, terwijl het gebruik van de marktrente garandeert dat de verplichtingen gekoppeld zijn aan de meest veilige verplichtingen. Het idee was dus dat de bulk van beleggingen in AAA-staatsobligaties geïnvesteerd werden, om te voldoen aan de verplichtingen. Eventuele buffers konden dan in meer risicovolle investeringen belegd worden. Dit was een goed principe toen de dekkingsgraden gemiddeld rond de 170% lagen.

Een belangrijke reden voor het hanteren van deze systematiek was ook dat er voorafgaand aan de kredietcrisis sprake was van lichte regulering (light touch regulation). Dit hield in dat toezichthouders reglementen ontwikkelden waarin er zo min mogelijk bemoeienis was op het daadwerkelijke beleggingsbeleid. In plaats daarvan moesten de procedures geëerbiedigd worden. Dit stelde dan de markt in staat om “verantwoorde” risico’s te nemen.

Waarom het systeem niet werkt in deze tijd

Het marktrendement is geen graadmeter voor economische groei.

Men kan allereerst constateren dat het feitelijke verschil tussen het jaarlijks gerealiseerde rendement van pensioenfondsen enerzijds en de rekenrente waarmee de dekkingsgraad wordt bepaald anderzijds, enorm uit elkaar ligt. Bijvoorbeeld: het gemiddelde jaarlijkse rendement van het ABP bevindt zich rond de 6 tot 7 %, terwijl de rekenrente (mede afhankelijk van het betreffende pensioenfonds) varieert tussen 0,5 en 1 %. Het gevolg is dat hierdoor eigenlijk een onnodige buffer opgebouwd wordt.

Het idee om de DNB-rente te hanteren is gestoeld op het feit dat het een graadmeter is voor de economische groei. Immers, als het economisch voorspoediger gaat, dan zou de marktrente hoger moeten zijn (dit om inflatie te remmen). De marktrente blijft vanwege andere redenen echter lager, waardoor het niet meer in verhouding staat met de andere beleggingen.

De lage rente zorgt voor instabiliteit

Een ander kenmerk is dat het huidige beleid instabiel is. De verplichtingen hebben een omgekeerd evenredige relatie met de marktrente. Dit wil zeggen dat als de rente verdubbelt, de verplichtingen grofweg halveren. En andersom: als de rente halveert, zullen de verplichtingen verdubbelen.

In normale situaties, met 4% rente, zal dit niet gebeuren. De rente gaat immers niet onmiddellijk van 4 naar 8% of zelfs van 4 naar 2%. Echter, als de rente rond de 0,3% ligt en deze stijgt of daalt met 0,1%, dan treden dit soort effecten op. Het is redelijk om aan te nemen dat hier geen rekening mee is gehouden in de opzet. Ook is het waarschijnlijk dat deze lage rente langer zal blijven aanhouden.

De stabiliteit van het stelsel wordt verder aangetast

Het succes van iedere verzekering is dat alle deelnemers het gevoel hebben voordeel te hebben van deelname aan het systeem. Op dit moment zorgt het huidige systeem ervoor dat er een discussie ontstaat tussen jong en oud. Immers, als de daadwerkelijke rente gemiddeld hoger is dan de bepaalde marktrente, zullen de buffers alleen maar groeien. Voor wie? Dit zal dan zijn voor de jongeren.

Omgekeerd geldt dat juist de ouderen gaan profiteren. Stel nu dat de daadwerkelijke rente lager is omdat er weer een nieuwe beurscrash komt. Dan zullen de buffers onvoldoende zijn en zullen juist de jongeren meer gekort worden. De trendbreuk die nu ontstaat, omdat het echte rendement nooit gelijk zal zijn aan de huidige marktrente, zorgt juist voor minder vertrouwen in het stelsel. Deze aantasting van solidariteit is ongewenst. Dit zorgt voor een voortslepende discussie die eigenlijk het fundament van het pensioenstelsel aantast, waardoor het stelsel meer gevaar loopt dan voorheen.

Het systeem is niet in staat om het gevaar van het risico van de kredietcrisis te voorkomen

Een laatste element is dat de huidige rekenwijze vooral de focus legt op de passiva-kant (de verplichtingen) van de balans. Dit gaat ten koste van focus op de activa-kant. Dit brengt een enorm risico met zich mee en met name datgene wat juist het risico was van de kredietcrisis. Het huidige beleid vrijwaart de toezichthouder om de beleggingsportefeuille kritisch onder de loep te nemen.

Zoals bekend, lag de oorzaak van de kredietcrisis vooral in het verkeerd bepalen van de waarde van specifieke beleggingen (de zogeheten mortgage backed securities). Het risico zat totaal niet in de bepaling van de verplichting, maar juist in de bepaling van de activa. De focus op de verplichtingenkant en het niet controleren van de activa-kant zorgt voor deze blinde vlek.

Deze blinde vlek heeft zich weer gemanifesteerd in de huidige situatie. De huidige situatie is namelijk vooral veroorzaakt door de politieke instabiliteit (Brexit en de handelsoorlog). Iets wat al benoemd kon worden in 201,7 maar wat pas na het effect in het jaarverslag van 2018 gemeld is.

Kortom: de huidige rekenrente die grotendeels de bekende ‘dekkingsgraad’ bepaalt is een theoretische ‘voorspeller’. Financieel deskundigen kunnen prima achteraf analyses et cetera uitwerken, maar de rente voorspellen over een langere termijn blijft koffiedikkijken. Bovendien versterkt de rentepolitiek van de ECB de rentedaling en wordt daarmee ook de onenigheid over de rekenrente op scherp gezet. Wereldwijd hanteert Nederland zo ongeveer de meest prudente methode voor de waardering van de verplichtingen. Daarmee zijn de pensioenvermogens de grootste ter wereld, terwijl veel fondsen toch in onderdekking verkeren. Ook in het buitenland snapt men dat niet en is men ook Europees hier heel kritisch op.

Voordelen gemiddeld rendement

Naast de bovengenoemde nadelen van het huidige systeem, zijn er ook nog extra redenen om te kiezen voor een systeem met een gemiddeld rendement.

De keuze van Eiopa

Ook de Europese pensioentoezichthouder Eiopa heeft kritiek geuit op de Nederlandse rekenmethode waarmee pensioenfondsen hun verplichtingen moeten berekenen. In het consultatiedocument van de Europese collega’s waarin een voorschot wordt genomen op een uniforme Europese rekenmethode voor pensioenfondsen, zodat die beter te vergelijken zijn, verwerpt de Europese waakhond de Nederlandse berekening van de ufr (ultimate forward rate) als potentiële standaard voor heel Europa. Volgens Eiopa is de Nederlandse methode ’mogelijk onvoldoende stabiel’.

De rekenaars uit Frankfurt geven de voorkeur aan een rekenmethode gebaseerd op historische gegevens, in plaats van op actuele marktinformatie. Van alle bestaande alternatieven die de revue passeren, is de Nederlandse rekenrente bovendien het laagst. Gevolg is dat pensioenfondsen nu meer geld in kas moeten hebben om ook in de toekomst aan hun verplichtingen te kunnen voldoen. Dat drukt de dekkingsgraden naar beneden, waardoor de methode onder vuur ligt. Daarom geeft Eiopa de voorkeur aan een methode die gebaseerd is op historische rentestanden.

Duidelijkere politiek

De financiële crisis van 2008 heeft veroorzaakt dat de politiek volledig is doorgeslagen in het veiligstellen van de verplichtingen van financiële instellingen. Zij heeft een (te) groot mandaat gegeven aan de toezichthouders (AFM en DNB) waardoor deze ambtelijke organisaties (te) veel macht hebben en zeer complexe en louter theoretische berekeningsmodellen hebben vervaardigd. Hierdoor verzandt een discussie (als deze al mogelijk is) heel snel in technische issues waardoor de politieke organen (Regering en Tweede Kamer) zich er niet echt mee bemoeien.

Beter toezicht

Het huidige beleid geeft DNB en AFM teveel mogelijkheden om zich te mengen in de praktische uitvoering van de pensioenen. De pensioenfondsen en verzekeraars zijn prima bij machte om een efficiënt en verantwoord beleid te voeren voor haar deelnemers. Toezichthouders moeten hier slechts in zeer uitzonderlijke situaties op ingrijpen en zich veel minder bemoeien met operationele en beleidsmatige keuzes. Een systeem waarin het berekenen van de verplichtingen geschied op basis van makkelijkere uitgangspunten zorgt ervoor dat ruimte gecreëerd kan worden voor de zaken die wel van belang zijn, zoals een prudent beleggingsbeleid.

Daarnaast blijft de feitelijke constatering dat de pensioenfondsen in werkelijkheid een veel hoger rendement maken dan waarmee de dekkingsgraad wordt berekend. Dit leidt tot grote kapitaalbuffers en tot het niet indexeren van pensioenen van de pensioengerechtigden. Een zeer onwenselijke situatie!

Wat te doen?

En wat wordt hier nu mee gedaan? We kijken ernaar en niemand durft nu eens de knuppel in het hoenderhok te gooien. De meeste politici begrijpen deze discussie niet eens en zij die dit wel doen, kiezen voor volledige zekerheid. Alles om de risico’s van een financiële crisis zoals in 2008 geheel uit te sluiten. Zie bijvoorbeeld de mening van Jeroen Dijsselbloem. Bij de toezichthouders wil men geen afstand doen van hun mandaat en macht. Deze organisaties zijn de afgelopen 10 jaar in aantallen medewerkers enkele keren verdubbeld en houden dit in stand. Verandering zal georganiseerd moeten worden door de branche zelf, met politieke steun!

Effecten andere methodiek

Op de korte termijn zal het zeker voordelen opleveren voor de oudere generatie en de positie van de pensioenfondsen. Dit omdat de rente op dit moment niet anders dan omhoog kan gaan. Nu hoor ik velen al zeggen dat dit ten koste gaat van de jongeren die de pensioenpotten vullen met hun premies en straks wellicht te weinig in kas vinden. Echter, de voorgestelde methodiek van het voortschrijdende gemiddelde rendement van de afgelopen 5 jaar voorkomt dit: het rendement is al gerealiseerd en dus in kas. Wordt dit lager, dan wordt ook de rekenrente lager en worden ook indexeringen et cetera hierop aangepast. Kortom: wanneer durft de politiek het huidige systeem aan te pakken?

*Dekkingsgraad

De dekkingsgraad van een pensioenfonds geeft een beeld van de mate waarin het pensioenfonds in staat geacht wordt om in de toekomst aan hun verplichtingen te kunnen voldoen.

Formule:

Pensioenfondsen worden gefinancierd middels een kapitaaldekkingsstelsel. Dat betekent dat werknemers in de loop van hun werkzame leven pensioenpremie betalen. Die pensioenpremies worden door het pensioenfonds belegd, zodat met deze opbrengsten de pensioenen uiteindelijk kunnen worden uitgekeerd.

*Rekenrente

De dekkingsgraad vergelijkt het huidige vermogen van het pensioenfonds met de ‘huidige waarde van de toekomstige verplichtingen’. Bij dat laatste speelt de rekenrente een belangrijke rol. De rekenrente is het percentage dat pensioenfondsen mogen gebruiken als ‘groeivoorspeller’. Het geeft aan met hoeveel procent een bedrag zal toenemen (door beleggingsopbrengsten) om uiteindelijk de uitkeringen mee te kunnen betalen.

Stel dat een pensioenfonds nu € 450 mln. heeft en een rekenrente van 2,4% moet hanteren.
Dan kan het pensioenfonds met die rekenrente voorspellen dat de huidige € 450 mln. over 25 jaar een bedrag van
( € 450 mln. × 1,02425 =) € 814,16 mln. zal opleveren.

Bij de dekkingsgraad doen we het precies andersom:
Het pensioenfonds heeft nu € 450 mln. en weet dat zij over 25 jaar € 800 mln. nodig zal hebben. De rekenrente is nog steeds 2,4%
Met de rekenrente kunnen we uitrekenen hoeveel geld het pensioenfonds nú in kas zou moeten hebben om later de benodigde € 800 mln. te hebben:
( € 800 mln.: 1,02425 =) € 442,2 mln.

Hoe lager de rente, hoe minder het huidige vermogen zal groeien. Daarom zul je bij een lage rente méér geld moeten reserveren voor de toekomst en dus een lagere dekkingsgraad hebben.

Eisen aan de dekkingsgraad

Pensioenfondsen beheren het geld van een enorme groep Nederlanders. Om te voorkomen dat de pensioenpot leeg is voordat de huidige deelnemers ervan kunnen profiteren, zijn er regels opgesteld over de minimaal noodzakelijke dekkingsgraad.

Wanneer de dekkingsgraad onder de 105% komt, zijn pensioenfondsen verplicht maatregelen te nemen. Deze maatregelen moeten erop gericht zijn dat de dekkingsgraad binnen 3 jaar weer boven de 105% komt. Het korten van pensioenuitkeringen is in zo’n geval een reëel gevaar.

Bij een dekkingsgraad tussen de 105% en 112% is het pensioenfonds nog steeds verplicht om maatregelen te nemen, zodat de dekkingsgraad in 15 jaar stijgt. Pas bij een dekkingsgraad van méér dan 112% mag een pensioenfonds de uitkering van de huidige uitkeringsgerechtigden weer laten stijgen.

Jan Evers (in samenwerking met Wouter Mertens)

CEO AP Support

Nieuws

Gerelateerd nieuws

Lees meer >